In de veertigdagentijd, de 'vasten', worden gelovigen uitgenodigd om zich voor te bereiden op het Paasfeest. In een prefatiegebed voor deze tijd (het gebed als aanloop naar het lied 'Heilig' en naar de consecratie) wordt de veertigdagentijd omschreven als "een tijd van meer toeleg op het bidden en grotere aandacht voor liefde tot de naaste".
In deze periode wil ik een aantal keren een gebed laten opklinken van de trappistenmonnik Thomas Merton (1915-1968) zoals die te vinden zijn in het boek In gesprek met de Stilte. Gebeden (zoals uitgegeven in 2002 in Nederlandse vertaling bij Uitgeverij Ten Have). Ik zal verder enkel nog naar de bladzijde verwijzen van deze uitgave.
"In zekere zin zijn wij voortdurend onderweg en trekken wij verder, alsof wij niet weten waar we heen gaan. In een ander opzicht hebben wij ons doel reeds bereikt.
Wij kunnen niet komen tot het volmaakte bezit van God in dit leven en daarom zijn wij onderweg en verkeren wij in duisternis. Maar wij bezitten Hem reeds door de genade en in die zin zijn wij aangekomen en wonen wij in het licht.
Maar ach, hoe ver moet ik gaan om U te vinden, in wie ik reeds ben aangekomen!"
(a.w. blz. 29)
Hier klinkt de paradoxale vaststelling door van elke gelovige levenservaring : de aanwezigheid van Iemand die zich moeilijk laat vastleggen. Zoals Jakob na zijn droom van de ladder met de opklimmende en neerdalende engelen zich realiseerde 'Dit is de plek waar God is' (zie ook deze blog de berichten van 14/1 tot 9/2/26), zo zegt hier de monnik die zich volgens de regel van Benedictus terugtrekt in een klooster om God te zoeken dat Hij er reeds is. In de veertigdagentijd worden we aangemoedigd om bewuster te leven in deze onbegrijpbare Aanwezigheid.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten