In de loop der eeuwen zijn er massa's boeken geschreven om te bewijzen dat God bestaat of om te bewijzen dat hij één groot verzinsel is. Maar de 'ongelovigen' vinden niets van al die godsbewijzen en de 'gelovigen' menen dat die Godontkenners er helemaal naast zitten. Natuurlijk valt God niet te bewijzen op een natuurwetenschappelijke manier, waardoor priester Georges Lemaître zonder in geloofsnood te komen, kon bijdragen aan de theorie van de oerknal. Geloven is ook van een totaal andere orde dan de positieve wetenschap, maar dat lijken vele mensen te vergeten of onder de mat te schuiven.
Zoals filosoof Simon Truwant in zijn goede boek "De waarheid heeft vier gezichten" (uitg. Houtekiet, 2025) stelt, is de waarheid niet te herleiden tot enkel cijfers en wiskundige of chemische formules. Andere benaderingen van de werkelijkheid hebben evenveel recht op hun plaats in een publiek debat.
Dichters en kunstenaars weten al altijd dat er meer is dan de cijfertjes van de positieve wetenschap. Dichter Willem Jan Otten (1951) blijft haperen bij een zin uit de profeet Jesaja waarin die God laat antwoorden op de verzuchting van de ballingen alsof God hen zou vergeten hebben : "Kan een vrouw haar zuigeling vergeten, zich niet ontfermen over het kind van haar schoot? Al zou zij die vergeten, ik vergeet jou niet! Zie, in mijn handpalmen heb ik je gegrift." (Jes. 49, 15-16). In zijn gedicht maakt Otten ook allusie op de leer van de kerk over de 'presentia realis' die stelt dat Jezus werkelijk aanwezig is in de geconsacreerde hostie en wijn.
Het gedicht van Otten biedt stof tot meditatie en prikkelt tot openheid, zowel voor de gelovige als voor de ongelovige.
Hoe wij in de handpalm neergeschreven zijn,
ik heb het nog niet grondig onderzocht.
Wel schat ik dat het om iets draadloos'gaat.
Zodra het een van ons alhier te gortig wordt,
bijvoorbeeld in de basiliek de diepdemente vrouw
die, met een tissue en een eeuwigheid te laat,
geschilderd bloed poogt weg te vegen van een houten
wreef, dan gloeit van haar, die niets meer weet,
de naam op in de palm van de hand. Die voelt,
vermoedelijk, hoe koel van lieverlee zijn vlees,
hoe weinig zijn presentia reëel nog scheelt
van onderzodenklam en onverrijsbaar zijn,
en weet: dat ik besta is dat zij streelt.
(uit: Hotel Parnassus. Poëzie van dichters uit de hele wereld., uitg. De Arbeiderspers, Amsterdam, 2004, blz. 69)








