In een vorig bericht las ik een credo van de dichter Kees Hermis, een vers dat leest los van alle theologische of liturgische jargon. Nu een andere 'theopoëtica', zoals Hans Groenewegen (1956-2013) dit noemt in zijn boek "De lezer van poëzie en mystiek" (Historische uitgeverij, 2015). Daar las ik een vers van Guillaume van der Graft (1920-2010), maar hier klinken liturgische associaties mee, niet verwonderlijk voor een dichter-dominee.
Het gedicht heeft als titel "Pasen" en past dan ook helemaal in deze paastijd.
PASEN
Wij geloven met hart en mond
het woord dat gestorven is
in stilte en duisternis
het zaad dat kiemt in de grond.
Wij geloven met hand en tand
het brood van de heilige dis
dat met Pasen geboren is,
de wijn onze bloedverwant.
Wij geloven met hart en ziel
het hart en de ziel van hem
die brak in onze stem
en opstaat uit onze keel.
(uit : Groenewegen, Hans, De lezer van poëzie en mystiek, Rijswijk, 2015, blz. 232)
Het eerste kwatrijn verwijst naar Goede Vrijdag en naar de metafoor van het graan dat sterft in de grond opdat het vrucht zou opleveren, een beeld dat Christus meermaals heeft gebruikt, meest expliciet in Joh. 12,24. Dan verwijst het tweede kwatrijn naar het laatste avondmaal, de heilige dis met brood en wijn... Het derde kwatrijn heeft het over een gebroken stem en opstanding, het passeren van het Woord Gods door dood naar opstanding toe.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten